De sluis Spaarndam gestremd – Hoe zit dat?

De sluizen bij Spaarndam vormen de verbinding tussen het water van het Hoogheemraadschap van Rijnland en het Noordzeekanaal. Jaarlijks passeren honderden beroeps- en recreatievaartuigen de Grote Sluis. ’s Zomers wordt er zo’n 20 keer per dag geschut, ongeveer 2/3 hiervan betreft schuttingen voor de recreatievaart. Daarnaast wordt de evengrote maar veel oudere Kolksluis, ‘s zomers door vrijwilligers in het weekend zo’n 4 keer per dag voor recreatievaart bediend. Al met al heel veel schuttingen per jaar.

Het Noordzeekanaal is behoorlijk zout als gevolg van het zeewater dat met de schuttingen van de sluizen bij IJmuiden binnenkomt. Ter hoogte van Buitenhuizen is de zoutconcentratie ongeveer de helft van het zeewater. Bij iedere schutting met de sluizen bij Spaarndam komt dit zoute water in het water van Rijnland terecht. Omdat zout water zwaarder is dan zoet water, zakt het zoute water als het ware het Spaarne en de Mooie Nel op. Hoe langer de sluis openstaat, hoe groter het volume zout water dat het Spaarne in zakt. Binnen 20 minuten kan praktisch het hele zoute volume van de sluis vervangen worden door zoet water. Daarbij wordt iedere keer zo’n slordige 10.000 kg zout in het water van Rijnland gedumpt. Op deze manier verzilt het Spaarne en de Mooie Nel; het wordt steeds zouter.

’s Winters is dit niet zo’n probleem. Er valt voldoende neerslag, dat uitgemalen kan worden met het gemaal bij Spaarndam. Het zoute water wordt hiermee afgevoerd. ’s Zomers is het een ander verhaal. Er zijn in het gebied van Rijnland een aantal gebieden die zoet oppervlaktewater nodig hebben. Denk aan de bollenstreek, maar ook aan de boomteelt in Boskoop en de glastuinbouw in Aalsmeer. Dit noodzakelijke zoete water wordt onder meer gegarandeerd door het gebied van Gouda tot Spaarndam door te spoelen. Hiervoor wordt er ’s zomers 3 keer per week water bij Gouda ingelaten en maalt het gemaal bij Spaarndam dit tegelijkertijd in een paar uur op volle kracht weer uit (dit wordt doorspoelen genoemd). Zo blijft het zoute water in het Spaarne, ten noorden van Haarlem.

‘s Zomers is de verdamping groter dan de neerslag, zodat er ook water aangevoerd moet worden naar het gebied om de verdamping te compenseren. Hiervoor is veel meer water nodig dan voor het doorspoelen van het gebied. Gewoonlijk wordt al dit water ingelaten bij Gouda, vanuit de Hollandsche IJssel. Deze rivierarm is in de regel zoet en voldoende voor de meeste zomers. Alleen tijdens (extreem) droge zomers, als de Rijnafvoer te laag is, treedt ook daar verzilting vanaf zee (via de Nieuwe Waterweg) op. Er kan via andere routes nog wel een beperkte hoeveelheid zoet water worden aangevoerd, maar dat is onvoldoende voor de totale vraag. Er moet daardoor worden bespaard op het watergebruik. Er moet ook voorkomen worden dat kritische situaties ontstaan (denk aan de dijkverzakking bij Wilnis). Er wordt water aangevoerd, water gebufferd, water omgeleid en water beperkt. Ook de doorspoeling wordt verminderd of zelfs gestopt. In deze – extreme – situaties kunnen er ook beperkingen of stremmingen voorkomen om verdere verzilting tegen te gaan. Als niet meer doorgespoeld kan worden, wordt het verzilten van het Spaarne tegengegaan door de sluizen bij Spaarndam te beperken of zelfs te stremmen. Hoe jammer het ook is dat er geen gebruikgemaakt kan worden van de sluis, hiermee wordt de bollensector wel beschermd tegen het verzilte water.

Hoe lang de stremming duurt, is afhankelijk van de vraag en het aanbod van zoet water. Met andere woorden, de situatie zal pas weer veranderen als de verdamping afneemt (tegen de herfst) of het langdurig gaat regenen en ook de Rijn voldoende water aanvoert. Mijn advies: Hou de berichtgeving van Rijnland en/of de website van de JWV in de gaten als je door de sluis wilt.

Birgitta van der Wateren, Rode Beer (en Rijnlander)